Nieuwtjes

INDRUKWEKKENDE DOCUMENTAIRE

                                                                               Houdt God van vrouwen?

    http://www.rtvoost.nl/tv/ uitzending.aspx?uid=305325
Hilligje
—————————————————————————————————————
Diepgang, actief meedoen

Nieuw bij doopsgezinde gemeente

Dat is het doel dat Graddie Meijer (1955) nastreeft: dat de gemeente groeit. ‘Nee, niet in aantal, al zou dat ook mooi zijn’, zo verzekert ze, ‘maar in diepgang en actief meedoen’.

NOORDOOSTPOLDER- Sinds anderhalf jaar is zij twee dagdelen in de week werkzaam voor de doopsgezinde gemeente in de Noordoostpolder. De andere dagen studeert ze aan de Vrije Universiteit en het daaraan verbonden doopsgezinde seminarie om de titel ‘voorganger’ te mogen dragen.

De Groningse (Veendam) was gereformeerd. Maar toen ze na de middelbare school drie jaar gestudeerd had aan het Nederlands Bijbelinstituut in Bosch en Duin voelde ze zich in die kerk niet meer thuis. Ze miste de vrijheid die ze zo nodig had om goed te kunnen leven. Ze werd, zoals ze dat noemt, randkerkelijk. Na enige tijd miste ze toch de gemeente en ging samen met haar partner op zoek naar een kerk die bij hen paste. Zo kwam ze, intussen verhuisd naar Heerenveen, bij de doopsgezinde gemeente terecht, ‘en dat voelde als een warme jas’. Ze deed opnieuw belijdenis (bij de doopsgezinden mag je die zelf schrijven!) en liet zich opnieuw dopen.

Weinig respect

Intussen werkte ze bij een bedrijf dat werklozen weer aan het werk moest helpen. ‘Reïntegreren’ heet zoiets. Ze kreeg te maken met sociale wetgeving. Dat werk ging haar steeds moeilijker vallen: de wetgeving verhardde en was te weinig respectvol voor mensen. ‘Ze werden gezien als banenmachines en niet als mensen.’ Ze hield het niet langer vol en zocht werk dat meer mensgericht was. Intussen was ze al begonnen aan een HBO-deeltijdstudie theologie in Leeuwarden en rondde die in 2007 af. Ze solliciteerde naar de gemeente in de polder en werkt daar nu.

De ‘kern’

Wat is nu de kern van wat ze de gemeente voorhoudt? ‘Dat daden woorden te boven gaan’ is het resolute antwoord. Ze wijst op het in de bijbel voorkomende hebreeuwse woord ‘Dabar’ dat zowel ‘woord’ als ‘daad’ betekent. De nadruk ligt op het doen. Niet dat doopsgezinden daarmee te koop lopen, nee, ze zijn meer ‘de stillen in den lande’. ‘Misschien zijn we wel eens té stil’, zegt Meijer, ‘ook ten opzichte van de kinderen, uit angst om hen iets te veel op te leggen. Dat strijdt immers met de vrijheid en de ruimte die er is binnen de doopsgezinde broederschap. Maar toch… de kern is dat mijn geloof invloed moet hebben op de rest van de week. Het gaat om respect voor mensen, hun in de ruimte zetten.’

Veranderen

De mensen hier zijn niet bang voor veranderingen, zo is haar ervaring. Velen komen van elders en hebben al eens alles achter gelaten. Dat maakt het werk hier ook boeiend. Eén dag in de week is feitelijk wel te weinig, ook al is de gemeente klein. Er zijn de pastorale bezoeken, 10 diensten per jaar, begeleiden van kringen, vergaderen, en in het algemeen motor zijn. Maar ze doet het allemaal graag! En wil iemand meer weten: uiteraard is er een website: www.dg-nop.nl.

—————————————————————————————————————–

Hero Torenbeek in de Noordoostpolder

 

Dagblad Trouw door Emiel.Hakkenes, 2 december 2008

Aan Groningstalige kerkdiensten ontbrak jarenlang iets: een bijbelvertaling in het Grunnegers. Na vijfendertig jaar is die nu af. ,,Zo proaten we thoes ook.”

Toen de Bijbel klaar was, ging Marten van Dijken eerst twee weken uitwaaien op Terschelling. Daar was hij na zoveel jaar wel aan toe. „Af en toe moest mijn vrouw tegen mij zeggen: er is méér in het leven dan die Bijbel.”

En dat is natuurlijk ook zo, glimlacht Van Dijken – gepensioneerd schoolbestuurder –  in de kerkenraadskamer van de Nieuwe Kerk in Groningen. ’Nije Kerk in Stad’, zegt Van Dijken zelf. Want de Bijbel waar hij jaren vrije tijd in heeft geïnvesteerd, is de Biebel: een oecumenische bijbelvertaling in het Gronings, van Genesis tot Openbaring inclusief apocriefen. Deze zondagmiddag wordt er in een Grunneger Dainst  uit gelezen.

De Biebel rolde dit najaar van de persen, nadat tientallen vrijwilligers  er 35 jaar aan hadden gewerkt. Ze waren allemaal de jongste niet meer, zegt Van Dijken, die het vertaalproject coördineerde. Sommige vertoalers hebben de dag dat de Biebel kloar was niet meer meegemaakt.

Van Dijken slaat de Biebel open en leest een gedeelte voor uit Matteüs, dat aansluit bij deze eerste zondag van advent. In het Nederlands staat daar dat Johannes de Doper optrad in de woestijn van Judea en  verkondigde: ’Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ In het Gronings wordt dat: ’Mensken, begunt n nij levent. t Hemels Keunenkriek is stoefbie.’

De Biebel is een succes, zegt Van Dijken. De eerste druk van drieduizend exemplaren is uitverkocht, een tweede druk moet nog dit jaar verschijnen. „En toch zijn er mensen die zeggen: mien toal is t nait.”

Dat komt, zegt Van Dijken, omdat er niet zoiets bestaat als standaard-Gronings. Het dialect van het Westerkwartier verschilt van  dat van de Stad, en op het Hogeland spreken ze anders dan in de Veenkolonieën. Het zit ’m vaak in kleine dingen: in de ene streek zeggen ze ’krek’ voor ’net zoals’, en ergens anders weer ’liek’. En de een zegt ’zok’ voor ’zich’, een ander ’heur’. In de Biebel kwam volgens Van Dijken de variant terecht die in de meeste streken gangbaar is. „Eigenlijk hebben wij het ABG uitgevonden: het Algemeen Beschaafd Gronings.”

Daar komt voorgangster Graddie Meijer binnen. „Het Groningse woord voor kansel? Weet ik niet”, bekent ze. „Preekstoul of zoiets? Geen idee. Maar ik ga er ook nooit op staan. Dan voel ik me zo verheven, terwijl ik vind dat er in de kerk geen afstand moet zijn.”

Dat geldt wat Meijer betreft ook voor de taal. „Laten we in de kerk niet de Tale Kanaäns spreken, maar onze eigen taal. De taal van het hart.”

Ze had het van tevoren nooit verwacht, zegt Meijer, maar toen ze voor het eerst in de Biebel las,  maakte dat meteen  veel indruk. „Als je hardop leest en dan ’Voader’ zegt in plaats van ’Vader’, dan klinkt dat, hoe zal ik het zeggen, emotioneler.”

Meijer is pas sinds kort betrokken bij de Grunneger Dainsten. Sommige Groningers fronsten de wenkbrauwen toen ze hoorden dat de voorgangster in Heerenveen woont. Een Friese dominee in een Groningse dienst? Die zorg verdween toen bleek dat Meijer opgegroeid is in Veendam, en dat haar vader ’domie Moaijer’ meegewerkt heeft aan de Groningse bijbelvertaling.

Inmiddels druppelen de eerste bezoekers de Nieuwe Kerk binnen. Een klein groepje fijnproevers heeft regen en ijzel getrotseerd. „Bruiers en zusters, slim welkom”, zegt Marten van Dijken. „In dizze dainst in toal dij moeke ons leerd het.” Vanaf de voorlaatste kerkbank taxeert de koster het publiek. „Dit is een ander slag mensen”, ziet hij in een oogopslag. „Wainig aigen volk.”

Graddie Meijer pakt haar preek niet anders aan, zegt ze, nu ze die in het Gronings  houdt. Ze begint altijd graag met een gedicht, maar er is weinig Groningse religieuze poëzie. Daarom citeert ze vandaag een paar regels uit een lied van de in Groningen wereldberoemde Ede Staal: ’t Het nog nooit, nog nooit zo donker west / Of ’t wer altied wel weer licht. Het optimisme en de hoop die daaruit spreken, passen volgens de voorgangster precies bij de hoop die wordt verwoord in de bekende adventtekst van de profeet Jesaja, over de wolf die zich naast een lam zal neerleggen, de koe en de beer die samen grazen en de zuigeling die zal spelen bij het nest van een adder.

Had Jesaja Gronings gesproken, dan had hij gezegd: ’Wolf en laam verkeren mit nkander, koukaalf en laiwejong vreten gras mit zien baaident op vetwaaide: n leujong kin der wel op pazen. Koubaist en berewiefke worden kammeroadskes, laankoet liggen heur jongen bie nkander, laiw vret hooi net as os. n Lutje potje zit te speulen bie adder zien hool, n beudeltje stekt haand in slaang zien nust.’

Graddie Meijer: „Als Messias Jezus komt, wordt de donkere wereld licht. Doar kin je op reken.”

Na de collecte (’buul gait rond’) en de zegen knopen de kerkgangers hun jassen weer dicht. Een bezoeker uit Winschoten slaat zijn liturgieboekje dicht. Hij schudt zijn hoofd: in het slotlied staat het Nederlandse woord ’geloof’. Dat kan niet kloppen. Hij schiet bij de uitgang Graddie Meijer aan. Die geeft hem gelijk.

„Volgens mie mout dat ’geleuf’ wezen”, zegt ze. „Mainde ik al”, zegt de Winschoter. „En mien vraauw zee t ook al.”

Dit was zijn eerste Grunneger Dainst, zegt de man. En nee, het was voor hem niet anders dan een dienst in het Nederlands. „t Was hail gewoon. Zo proaten we thoes ook.”